Een kind opvoeden is geen bouwdoos van Ikea die je al dan niet juist in elkaar steekt. Opvoeden is zoveel complexer dan dat en vraagt in nieuwe tijden een nieuwe aanpak. Een waarin mildheid, waardering voor alle betrokkenen en communicatie een centrale rol spelen. Psychologe en therapeute Inge De Waele vat haar ideeën samen in haar nieuwe boek Goed genoeg?.
Tekst Anne Wislez
‘Er bestaan geen standaardkinderen, geen standaardouders, geen standaardoplossingen. Communicatie met je kind, dat is de tool die we ter beschikking hebben’
Inge De Waele, psychologe
‘Onze samenleving is geëvolueerd, we kijken anders naar kinderen dan vroeger’, zegt psychologe en licentiate in de psychologische en pedagogische wetenschappen Inge De Waele. ‘Tegenwoordig zien we een kind als een betekenis gevend wezen; het geeft net zo goed mee betekenis aan het opvoedingsproces als de ouder. Een kind zal in een gegeven situatie bijvoorbeeld anders reageren op zijn moeder als de vader achter de moeder staat, dan als er onenigheid is tussen vader en moeder. Of hij neemt iets aan van de een en niet van de ander. Alle partijen spelen in het opvoedingsproces mee een rol. Opvoeding wordt ook vaak als iets mechanisch bekeken, maar je kind is geen bouwdoos van Ikea die je al dan niet juist in elkaar steekt. Opvoeden is zoveel complexer dan dat.’
Ouderschap wordt ook vaak gezien als de som van de capaciteiten van vader en moeder: ze zijn al dan niet geduldig, autoritair, consequent … Maar het is veel meer dan dat?
Inge De Waele: ‘Ik leg vooral het accent op wat er in interactie gebeurt tussen de betrokkenen, tussen vader en moeder, tussen moeder-vader en kind. In die interactie groeien altijd bepaalde patronen en gewoontes, daar kan je niet omheen. Ik zal eerder naar die patronen kijken dan naar eigenschappen. Eigenschappen worden vaak bekeken als aangeboren, “je kan er niet veel meer aan veranderen”. Terwijl gewoontes groeien tijdens het zich ontwikkelen van onze relaties. Voelen die gewoontes op een gegeven moment niet goed meer, dan kunnen we ze weer veranderen. Dat vind ik een positief gegeven. Het gaat me om dat bewustwordingsproces: dat je in relatie tot je kind invloed op hem uitoefent en hij op jou. Daar kan je keuzes in maken. Maar keuzes worden ook mee beïnvloed door je omgeving, de groep, de samenleving waarin je leeft – ook die geeft spelregels mee over wat je als ouder wel en niet kan doen.’
In hoeverre beïnvloedt de samenleving ons ouderschap?
IDW: ‘Onze samenleving is op dit moment enorm gebaseerd op het economische systeem: je moet als ouder aan veel eisen voldoen, terwijl je maar zoveel uren hebt op een dag. Om je goed te voelen in een relatie moet je tijd kunnen doorbrengen met elkaar, om elkaar te leren kennen, om te ontdekken hoe iemand reageert, welke behoeften alle partijen hebben. Dat geldt ook voor ouders en kinderen. Maar het wordt hen moeilijk gemaakt. Je moét tegenwoordig hard werken, meedraaien in de economie, anders lukt het niet. Sommige ouders zouden meer tijd willen kunnen doorbrengen met hun kind, maar alleen zij die voldoende middelen hebben kunnen die keuze maken. In het kader van de emancipatie van de vrouw vind ik het belangrijk dat er kwalitatieve pedagogische kinderopvang aanwezig is in onze samenleving. Maar de balans mag ook niet overslaan naar de andere kant, dat je als ouder niet meer kan kiezen om tijd te stoppen in je kinderen.’
Er gaat volgens jou ook te weinig waardering naar ouders?
IDW: ‘De waardering naar ouders toe is op dit moment ver te zoeken. Omdat we tegenwoordig heel bewust kunnen kiezen of we ouder willen worden of niet, geven we als samenleving het signaal: jij hebt ervoor gekozen, jij moet het dan maar doen, het is jouw verantwoordelijkheid. Tegelijk wordt het je niet gemakkelijk gemaakt om die verantwoordelijkheid te nemen tegenover je kinderen. Ik zie hoeveel inspanningen ouders tegenwoordig leveren om het goed te doen. En er zijn niet alleen de ouders. Je hebt nu ook stiefvaders, plusmoeders, fantastische pleegouders, holebi-ouders, dat zijn allemaal nieuwe rollen van mensen die vaak ontzettend hun best doen.’
Ook andere betrokken partijen verdienen meer waardering?
IDW: ‘Ja, leerkrachten bijvoorbeeld. Stel dat je kind het niet zo goed heeft gedaan op school en de leerkracht uit zijn kritiek, dan schiet je logischerwijs in een verdediging of aanval. Terwijl je je ook de vraag kan stellen: wat wil die leerkracht zeggen? Wat is zijn inzet? Ook hij wil graag erkenning voor zijn inspanningen, ook hij heeft het goed voor met je kind. Als je de gezamenlijke betrachting kan zien, kan je in gesprek gaan en uitzoeken: hoe komt het dat ik dat probleem niet gezien heb? Of wat zou ik thuis mogelijk kunnen doen, om jou als leraar te ondersteunen, om samen zo goed mogelijk met ons kind om te gaan? Probeer dus bij andere betrokkenen altijd eerst te gaan kijken naar de inzet. We kijken vaker naar wat mensen misdoen dan wat ze goed doen.’
Welk advies geef je concreet?
IDW: ‘Er bestaan geen standaardkinderen, geen standaardouders, geen standaardoplossingen. Mijn boek leert je – wanneer zich een conflict voordoet en je kind bijvoorbeeld niet doet wat je zou willen – te gaan kijken: wat is hier aan de hand? Vul ik zelf bedoelingen in bij mijn kind? Ik zal bijvoorbeeld denken dat mijn kind iets tegen me heeft, of bewust iets niet wil doen. Maar als je echt in communicatie gaat met je kind, dan ontdek je misschien dat er iets heel anders aan de hand is. Mijn aanpak draait volledig rond communicatie. Dat is de enige tool die we hebben om zicht te krijgen op de betekenis die iemand anders geeft aan ons gedrag.’
Als ouder denk je al snel: ik heb een fout gemaakt. Terwijl jij fouten eerder herdefinieert als miscommunicatie.
IDW: ‘Ja, en dat is een volledig andere manier om naar de situatie te kijken. Het leven is nu eenmaal zo dat we elkaar soms niet goed begrijpen. Als je kind een gedrag vertoont dat voor jou lastig is, is het bijna onvermijdelijk dat je zijn bedoeling automatisch negatief invult. Terwijl dat vaak niet zo is. Daarom is het zo boeiend om de situatie te gaan bevragen. Waarom doe je dit nu? Wat wil je eigenlijk teweegbrengen? Vaak ontdek je dan dat er een positieve intentie was. Als je dat kan zien, komt er een heel nieuwe dynamiek in de opvoedingssituatie. Door opnieuw in communicatie te gaan, kan je veel positiefs teweegbrengen.’
De ouderrol is erg kwetsbaar omdat je je gemakkelijk schuldig gaat voelen. Maar je kijkt er liever met mildheid naar?
IDW: ‘Als je dat niet doet, dan zie je dat ouders ook een stuk afstand nemen van hun kind. Ja, jullie als psycholoog, of pedagoog, of sociaal werker, jullie weten het beter. Weet je wat: doen jullie het! Ze zouden ervoor betalen. Dat creëert afstand. Want als het kind dan thuiskomt, wordt het nog moeilijker tussen hen. Heel jammer is dat. Ouders hebben wél die capaciteiten, zij kunnen hun kind wél opvoeden. Maar wij, de experts, dienen eerst onze nieuwe visie met hen te delen. Vandaar de meerwaarde om het systeemdenken en de vijf axioma’s van Watzlawick* uit te leggen aan de ouders, zodat ze inzicht krijgen in de keuzes die ze kunnen maken in de omgang met hun kind, en hoe ze daarover kunnen communiceren.’
Je boek biedt troost en herkenning. Is dat de bedoeling?
IDW: ‘Ik heb het geschreven voor ouders als jij en ik, die denken: goh, hoe moet ik dit nu aanpakken? Ik hoop vooral dat ouders de goesting blijven opbrengen om kinderen op te voeden. Want het ouderschap is een van de mooiste relaties die je toestaan om heel dicht bij een ander mens te komen en te zien hoe die zich ontwikkelt. Volgens mij is het een van de mooiste, meest zingevende invullingen van een leven. Bovendien: tevreden ouder, tevreden kind. En vooral: tevreden burger, ongevaarlijke burger. Een communicatieve samenleving creëren begint bij de opvoeding van onze kinderen, het is dus belangrijk om daar voldoende bij stil te staan.’
Meer lezen?
Goed genoeg? Een nieuwe visie op ouderschap, Inge De Waele (Pelckmans Pro, 2016)
*De vijf axioma’s van de Oostenrijks-Amerikaanse psycholoog en filoloog Paul Watzlawick:
– Alle gedrag is communicatie.
– Als ik iets zeg, zeg ik iets over hoe ik wil dat de ander met mij omgaat.
– Wat ik bedoel is niet per se waar voor een ander.
– Mensen beïnvloeden met woorden en vooral zonder woorden.
– Wie heeft het voor het zeggen, wie laat het voor het zeggen hebben?